Fictie

nederlands fictie mindmap Het rhedens rozendaal

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
Fictie by Mind Map: Fictie

1. fictie

1.1. teksten en beelden en mensen die verzonnen zijn

1.2. leesboek, stripverhaal, gedicht, film, televisieserie, musical, toneelstuk

2. non fictie

2.1. krantenbericht, tijdschriftartikel, studieboek, informatief boek, journaal, documentaire, tekst op wikipedia

2.2. teksten en beelden over de werkelijkheid met feiten over echte mensen en gebeurtenissen niet verzonnen

3. ontdek je leesvoorkeur

3.1. titel

3.2. omslag

3.3. flaptekst

3.4. eerste twee bladzijden

3.5. tips

3.6. internet

4. hoofdpersonen en bijfiguren

4.1. zo herken je een hoofdpersoon

4.1.1. van een hoofdpersoon kom je het meest te weten

4.1.2. het grootste deel van het verhaal 'beleef' je vanuit een hoofdpersoon. je ziet de gebeurtenissen door zijn of haar ogen

4.1.3. een hoofdpersoon heeft in het verhaal een belangrijk probleem of een opdracht. hij of zij heeft een duidelijk doel: het probleem oplossen of de opdracht volbrengen

4.2. andere personen in het verhaal noem je bijpersonen. deze personen zijn minder belangrijk, je komt over hen minder te weten en je leert hen minder goed kennen dan de hoofdpersoon

5. genres

5.1. leesboeken en verhalen kun je verdelen in verschillende verhaalsoorten. een ander woord voor verhaalsoort is genre. je weet bij welk genre een verhaal hoort door te kijken welk onderwerp belangrijk is in het verhaal.

5.2. voorbeelden

5.2.1. anvonturenverhaal, oorlogsverhaal, liefdesverhaal, probleemverhaal, grappig verhaal, meidenverhaal, historisch verhaal of sprookje

6. tijd in verhalen

6.1. elk verhaal speelt zich af in een bepaalde tijd. een schrijver kan op verschillende manieren aan de lezer laten zien in welke tijd het verhaal zich afspeelt

6.1.1. 1 door een jaartal te noemen

6.1.2. 2 door in het verhaal bekende historische uit de tijd van het verhaal te laten voorkomen of een beroemde persoon te kiezen als hoofdpersoon

6.1.3. 3 door in het verhaal te vertellen over bekende historische gebeurtenissen uit de tijd van het verhaal

6.1.4. 4 door te vertellen over gebruiken, gewoontes, voorwerpen, kleding en eten uit de tijd van het verhaal

6.1.5. 5 door te laten zien hoe de omgeving eruit ziet in de tijd van het verhaal

6.2. sommige verhalen zijn tijdloos. dit zijn verhalen waarin het verhaal vooral draait om de boodschap die herkenbaar is voor alle mensen in alle tijden. een goed voorbeeld hiervan is het sprookje. de schrijver laat maar weinig zien van de tijd en begint het verhaal met 'er was eens'

6.3. in verhalen gaat ook tijd voorbij. dit is de vertelde tijd. een verhaal kan bijvoorbeeld vertellen over een dag van zeven uur 's ochtends totdat de hoofdpersoon om 's avonds 11 uur in slaap valt. de vertelde tijd is dan zestien uur. een verhaal kan ook gaan over een schooljaar, van de eerste dag na de zomervakantie tot aan de laatste dag voor de volgende zomervakantie. de vertelde tijd is dan een jaar. of het hele leven van de hoofdpersoon wordt verteld tot aan zijn veertiende verjaardag. dan is de vertelde tijd dus veertien jaar. de schrijver kan af en toe ook aanwijzingen over de vertelde tijd. hij vertelt of het ochtend, middag of avond is, hoe laat het is, of het een dag van de week of een week later is, of hij noemt een maand, een seizoen of een leeftijd van een persoon. de lezer weet dan hoeveel tijd er verloopt en hoe snel de gebeurtenissen elkaar opvolgen

7. leeservaring

7.1. beoordelingswoorden

7.1.1. spannend

7.1.1.1. saai

7.1.2. begrijpelijk

7.1.2.1. onbegrijpelijk

7.1.3. griezelig

7.1.3.1. rustgevend

7.1.4. laat me meeleven

7.1.4.1. zegt me niets

7.1.5. maakt me nieuwsgierig naar de afloop

7.1.5.1. is voorspelbaar

7.1.6. laat me alles even vergeten

7.1.6.1. kan me niet boeien

7.1.7. apart

7.1.7.1. gewoon

7.1.8. geheimzinnig

7.1.8.1. helder

7.1.9. duidelijk

7.1.9.1. verwarrend

7.1.10. humoristisch

7.1.10.1. zonder humor

7.1.11. maakt me verdrietig

7.1.11.1. maakt me vrolijk

7.1.12. maakt me enthousiast

7.1.12.1. verveelt me

7.1.13. veel actie

7.1.13.1. gebeurt weinig in

7.1.14. vol vaart

7.1.14.1. traag

7.1.15. leest moeilijk

7.1.15.1. leest makkelijk

7.1.16. vertelt me wat ik al wist

7.1.16.1. laat me nieuwe dingen zien

8. spanning in verhalen

8.1. als je een verhaal leest wil je graag dat het spannend is. een schrijver kan verschillende technieken gebruiken om een verhaal spannender te maken

8.1.1. het verhaal speelt zich af in een enge of gevaarlijke omgeving

8.1.2. de hoofdpersoon komt in een bedreigende of gevaarlijke situatie

8.1.3. het verhaal krijgt een onverwachte wending: er gebeurt plotseling iets wat je niet had verwacht

8.1.4. een cliffhanger (letterlijk betekent dit dat er iemand boven een kloof hangt), terwijl je niet weet of gaat vallen of op het nippertje gered wordt. een cliffhanger is het afbreken van een verhaal op een heel spannend moment

8.1.5. je krijgt door aanwijzingen in het verhaal een vermoeden over hoe het afloopt, maar je weet nog niet precies hoe het zit

8.1.6. je bent bijna bij de ontknoping, maar eerst is er nog een uitsel. de schrijver laat je wachten voordat je ontdekt hoe het zit

9. realistisch of niet

9.1. verhalen zijn altijd verzonnen. toch is er veel verschil in de manier waarop schrijvers dingen verzinnen. als een schrijver mensen en gebeurtenissen verzint die erg lijken op de werkelijkheid , dan noem je het verhaal realistisch. als een schrijver een verhaal verzint met veel dingen die in werkelijkheid niet kunnen, dan is het niet-realistisch

9.2. dit maakt een verhaal realistisch

9.2.1. mensen lijken echt in wat ze zeggen of doen

9.2.2. de omgeving lijkt echt

9.2.3. gebeurtenissen zijn in het echt ook mogelijk

9.2.4. er komen mensen en plaatsen in voor die echt (hebben) bestaan

9.3. dit maakt een verhaal niet-realistisch

9.3.1. mensen lijken onecht in wat ze doen of zeggen

9.3.2. de wereld is verzonnen

9.3.3. er zijn heel veel toevalligheden

9.3.4. er komen verzonnen fantasie wezens in voor